De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

1 BRIEF VAN EEN VERDWAALDE VRIEND

1

De Vloeibare Tijd is een feuilleton verhaal, dat gaat over het verglijden van de tijd van de jaren vijftig tot nu en wat drie boezemvrienden, met heel verschillende persoonlijkheden, in die periode overkomt. De afleveringen zullen uiteindelijk in boekvorm verschijnen. Dit is de eerste aflevering.

1 Brief van een verdwaalde vriend

12 mei 2017

Beste Mark,

Nu het nog kan wil ik je schrijven, weliswaar veel te laat en daar is geen excuus voor. Omdat hier geen stroom is, laat staan een computer en ook geen enkel postverkeer, is een flessenbrief met je mailadres op de enveloppe de enige uitkomst. Ik hoop dat iemand hem vindt, de brief fotografeert en per mail aan je stuurt. Ik kan de fles ook niet zelf in het water gooien. Gekluisterd aan mijn ziekbed, dat niet meer is dan een matras op een rieten mat, zal ik de enveloppe daarom met brief en al in een glazen waterfles op het bamboe tafeltje naast mijn bed zetten bij de paar bezittingen die mij nog resten. Want ik ben bijna alles kwijtgeraakt. Ik zal de kinderen uit het dorp vragen de brief mee te nemen en dan op het juiste uur in de getijdenrivier te werpen, de rivier die in omvang toeneemt en afneemt met het tij en waarvan de ene keer het water inlands en de andere keer zeewaarts stroomt. De rivier die de navelstreng is, die ons met de buitenwereld verbindt. Hij is het die mij op een donkere avond hier naartoe heeft gesleurd.

Als je dit uiteindelijk leest moet de brief een lange tocht hebben gemaakt. De fles moet oceanen hebben doorkruist en op plaatsen zijn geweest die wij nog nooit hebben bezocht. Hij moet in zoet en zout water hebben gedobberd en door talloze vissen zijn besnuffeld. Misschien hebben mensen hem van het strand geraapt en weer teruggeworpen in zee. Uiteindelijk moet iemand hem hebben gevonden en een foto ervan aan je hebben gemaild, want tenslotte stond je email adres op de enveloppe.

Maar laat ik je eerst vertellen over de bizarre situatie waarin ik mij bevind. Ik heb hoge koortsen. Er is hier geen medicijn of dokter in de verre omgeving. Mijn dorpsgenoten hebben al jaren het contact met de buitenwereld verloren. Ze houden zich hier schuil in dit jungledorpje, ver van hun voormalige basis aan de andere kant van de grens. Zij zijn hier naar toegekomen toen zij bij hun terugkomst in hun thuisland niet meer konden aarden. De gruwelen van de oorlog raasden nog steeds in hun hoofd, overdag in hun gedachten en ‘s nachts als zij de gebeurtenissen in hun slaap opnieuw beleefden. In de ruime straten van de beschaafde wereld was geen beschutting tegen hun fantomen en de band met collega’s op hun werk kon niet tippen aan de band die zij met hun wapenbroeders hadden gehad. Als het ware hebben zij hier bij de dorpelingen in vredestijd hun basis opnieuw ingericht en zijn weer de vrienden, die ’s nachts op wacht staan om een gevaar te bezweren dat niet langer buiten hen maar in hen is. En door hun verrekijkers turen zij in de jungle, waar de wilde beesten huilen.

Nu ik deze woorden  met grote moeite schrijf, lijkt het bijna alsof ik tussen de openingen van deze rommelige letters dwars door het transparante rijstpapier  jou zie. Ook al zou ik niet weten of mijn ogen nog geopend zijn als jij dit leest.

Ik schrijf onsamenhangend, vind je niet? Laat ik je daarom vertellen wat er is gebeurd. Je herinnert je vast nog die avond dat Sylvia en ik met het  vliegtuigje, dat we hadden gehuurd, niet op het eiland Norderney konden landen waar Daniel en jij op ons stonden te wachten. Vanwege de storm moesten wij een doorstart maken. Ik weet niet meer wat in me was gevaren, maar ik besloot te keren en naar Schiphol te vliegen, waar de storm veel minder raasde dan op de Waddenzee. Sylvia en ik waren in een balorige bui en we besloten, toen we eenmaal op Schiphol waren geland, een vliegtuig naar het Verre Oosten te nemen.

Ach, ik maak er nu bijna een soort sprookje van, maar het ligt allemaal veel complexer. Ik wilde definitief aan de structuren ontsnappen, die ik zo lang naar mijn hand had kunnen zetten en die me nu dreigden te vermorzelen en Sylvia wilde naar de plaats waar haar Zen Leraar vandaan kwam. Toen we aankwamen namen we eerst een hutje op zo’n idyllisch strand in Cambodja: een strand waar de palmen over spierwit zand hellen, waar de mannen en vrouwen halfnaakt rondlopen en waar ze kokosnoten  uit de bomen plukken. Zo’n strand dat wij in het Westen een paradijs noemen. ‘s Avonds gingen wij altijd naar het cafeetje dat daar door een Duitser werd gerund. We lagen op kussens aan lage tafeltjes, met schalen vol vuur en waterpijpen.

Iedere avond moesten we een getijdenrivier oversteken om onze strandhut te bereiken. Meestal  konden we er op blote voeten doorheen waden en kwam het water niet hoger dan onze knieën. Toen die avond stroomde het zo hard dat ik de rivierbedding onder me voelde afkalven. We probeerden door te lopen, onze kleding in een bundeltje boven ons hoofd. Opeens begon ik te wankelen. Het ging heel langzaam. Eerst werd het zand onder mij weggeslagen, en vervolgens kreeg de stroom meer grip op mijn benen. Sylvia, die nog op tijd naar de oever had kunnen komen, stak haar hand naar mij uit. Mezelf tot het uiterste strekkend probeerde ik haar hand te grijpen. Toch nog onverwacht werd ik meegesleurd. Ik ging kopje onder en kreeg geen lucht meer. Ik ademde water en kwam in een rustige stemming. Voor mijn ogen werd alles oranje en blauw.

Toen ik ze opende, lag ik op wat op een rivierstrandje leek. Naast me een meisje, met een band om haar hoofd. Ze stond over me heen gebogen. Met haar donkerbruine ogen staarde ze naar mij en haar handen betastten me alsof ze een dode vis aanraakte. De zonnestralen vielen door de bladeren op mij. Ik had een enorme dorst, maar tegelijkertijd moest ik kotsen. Water en nog eens water. Ik rilde van de kou.

Je kunt je voorstellen wat de dorpelingen dachten toen ik door de kinderen aan de oever werd gevonden: Een spion! Ze hebben me maanden vastgehouden in een hut, waar de jongens en meisjes me overdag eten kwamen brengen en waar ik in de nacht aan muggen ten prooi viel, die voor mijn malariakoorts hebben gezorgd. Verlegen en nieuwsgierig staarden zij naar dit buitenaardse wezen. Met steentjes en getekende lijnen in het zand leerde ik ze het damspel. Steeds langer bleven ze bij me in de hut, giechelend en gillend, nieuwsgierig naar alles wat er in de buitenwereld was.

Maar het allerleukst vonden ze het om met mij ontsnappings plannetjes te smeden naar een wereld, waarin alles mogelijk zou zijn. Op die momenten leek het even alsof ik helemaal opnieuw met mijn leven kon beginnen en ik weer in de hut zat, die Daniël, jij en ik als kinderen hadden gebouwd. Toen wij, net als zij, wel van elkaar verschilden, maar nog geen eigen koninkrijk met vestingmuren hadden gebouwd. We waren…….

Hier hield de brief plotseling op. Ik staarde naar het scherm alsof ik daar het raadsel kon oplossen waar Toon zich in ’s hemelsnaam bevond. ‘Hij wijdde ook geen woord aan Daniël, de man van Sylvia, noch aan zijn zoon Casper.’ Ik probeerde ze allebei telefonisch te bereiken, sprak hun voicemail in en stuurde toen impulsief  Toons mail aan hen door.

Add comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

Categories

Pagina’s

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe berichten.

Voeg je bij 8 andere abonnees

Recente reacties

%d bloggers liken dit: