De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

1 BRIEF VAN EEN VERDWAALDE VRIEND

1

Cambodja, 12 mei 2017

Beste Mark,

Nu het nog kan wil ik je schrijven, weliswaar veel te laat na al die jaren en daar is geen excuus voor. Omdat hier geen stroom is, laat staan een computer, kan ik geen mail aan je sturen en er is ook geen enkel postverkeer, zodat een flessenbrief het enige is dat mij nog rest. Ik zal je mailadres op de enveloppe zetten met het verzoek aan de vinder de brief te fotograferen en aan je te mailen. Ik kan de fles ook niet zelf in het water gooien. Gekluisterd aan mijn ziekbed, dat niet meer is dan een matras op een rieten mat, zal ik de enveloppe daarom met brief en al in een glazen fles op het bamboe tafeltje naast mijn bed zetten bij de paar bezittingen die mij nog resten. Want ik ben bijna alles kwijtgeraakt. Ik zal de kinderen uit het dorp vragen de fles mee te nemen en dan op het juiste uur in de getijdenrivier te werpen, de rivier die in omvang toeneemt en afneemt met het kerende tij en waarvan de ene keer het water inlands en de andere keer zeewaarts stroomt. De rivier die de navelstreng is, die ons met de buitenwereld verbindt. Hij is het die mij op een donkere avond hier naartoe heeft gesleurd.

Als je dit uiteindelijk leest moet de brief een lange tocht hebben gemaakt. De fles moet oceanen hebben doorkruist en op plaatsen zijn geweest die wij nog nooit hebben bezocht. Hij moet in zoet en zout water hebben gedobberd en door talloze vissen zijn besnuffeld. Misschien hebben mensen hem van het strand geraapt en weer teruggeworpen in zee. Uiteindelijk moet iemand hem hebben gevonden en een foto ervan aan je hebben gemaild, want tenslotte stond je mail adres op de enveloppe.

Maar laat ik je eerst vertellen over de bizarre situatie waarin ik mij bevind. Ik heb hoge koortsen. Er is hier geen ander medicijn dan de traditionele kininebladeren en een dokter is er niet. Mijn dorpsgenoten hebben nauwelijks contact met de buitenwereld. Naast de oorspronkelijke bewoners houden veel veteranen zich schuil in dit jungledorpje, ver van hun voormalige basis aan de andere kant van de grens. Zij zijn hier naar toegekomen toen zij bij hun terugkomst thuis niet meer konden aarden. De gruwelen van de oorlog raasden nog steeds in hun hoofd, overdag in hun gedachten en ‘s nachts als zij de gebeurtenissen in hun slaap opnieuw beleefden. In de ruime straten van de beschaafde wereld was geen beschutting tegen hun fantomen en de band met hun collega’s op het werk kon niet tippen aan de band die zij met hun wapenbroeders hadden gehad. Als het ware hebben zij hier bij de dorpelingen in vredestijd hun basis opnieuw ingericht en zijn weer de vrienden, die ’s nachts op wacht staan om een gevaar te bezweren dat niet langer buiten hen maar in hen is. En door hun verrekijkers turen zij de jungle in, waar de wilde beesten huilen.

Nu ik deze woorden  met grote moeite schrijf, lijkt het bijna alsof ik jou zie, tussen de openingen van deze rommelige letters dwars door het transparante rijstpapier. Ook al zou ik niet weten of mijn ogen nog geopend zijn als jij dit leest.

Ik schrijf onsamenhangend, vind je niet? Laat ik je daarom vertellen wat er is gebeurd. Je herinnert je vast nog die avond dat Sylvia en ik met mijn sportvliegtuigje niet op het eiland Norderney konden landen waar Daniël en jij op ons stonden te wachten. Vanwege de storm moesten wij een doorstart maken. Ik weet niet meer wat in me was gevaren, maar ik besloot te vliegen naar Schiphol, waar de storm veel minder raasde dan op de Waddenzee. Sylvia en ik waren in een balorige bui en we besloten, toen we eenmaal op Schiphol waren, een vliegtuig naar het Verre Oosten te nemen.

Ach, ik maak er nu bijna een soort sprookje van, maar het ligt allemaal veel complexer. Ik wilde definitief aan de structuren ontsnappen, die ik zo lang naar mijn hand had kunnen zetten en die me nu dreigden te vermorzelen en Sylvia wilde naar de plaats waar haar Zen Leraar verbleef. Toen we aankwamen namen we eerst een hutje op zo’n idyllisch strand in Cambodja: een strand waar de palmen over spierwit zand hellen, waar de mannen en vrouwen halfnaakt rondlopen en waar ze kokosnoten uit de bomen plukken. Zo’n strand dat wij in het Westen een paradijs noemen. ‘s Avonds gingen wij altijd naar het cafeetje dat daar door een Duitser werd gerund. We lagen op kussens aan lage tafeltjes, met schalen vol vuur en waterpijpen.

Iedere avond moesten we een getijdenrivier oversteken om onze strandhut te bereiken. Meestal  konden we er op blote voeten doorheen waden en kwam het water niet hoger dan onze knieën. Toen die avond stroomde het zo hard dat ik de rivierbedding onder me voelde afkalven. We probeerden door te lopen, onze kleding in een bundeltje boven het hoofd. Opeens begon ik te wankelen. Het ging heel langzaam. Eerst werd het zand onder mij weggeslagen en vervolgens kreeg de stroom meer grip op mijn benen. Sylvia, die nog op tijd naar de oever had kunnen komen, stak haar hand naar mij uit. Mezelf tot het uiterste strekkend probeerde ik haar hand te grijpen. Toch nog onverwacht werd ik meegesleurd. Ik ging kopje onder en kreeg geen lucht meer. Ik ademde water en kwam in een rustige stemming. Voor mijn ogen werd alles oranje en blauw.

Toen ik ze opende, lag ik op wat op een rivierstrandje leek. Naast me een meisje, met een band om haar hoofd. Ze stond over me heen gebogen. Met haar donkerbruine ogen staarde ze naar mij en haar handen betastten me alsof ze een dode vis aanraakte. De zonnestralen vielen door de bladeren op mij. Ik had een enorme dorst, maar tegelijkertijd moest ik kotsen. Water en nog eens water. Ik rilde van de kou.

Je kunt je voorstellen wat de dorpelingen dachten toen ik door de kinderen aan de oever werd gevonden: Een spion! Ze hebben me maanden vastgehouden in een hut, waar de jongens en meisjes me overdag eten kwamen brengen en waar ik ’s nachts aan de muggen ten prooi viel, die voor mijn malariakoorts hebben gezorgd. Verlegen en nieuwsgierig staarden de kinderen naar deze vreemdeling. Met steentjes en getekende lijnen in het zand leerde ik ze het damspel. Steeds langer bleven ze bij mij in de hut, giechelend en gillend, nieuwsgierig naar alles wat er in de buitenwereld was.

Maar het allerleukst vonden ze het om met mij in gebrekkig Engels en door middel van gebarentaal fantasie spelletjes te spelen en ontsnappingsplannen te maken naar een wereld, waarin alles mogelijk zou zijn. Op die momenten leek het even alsof ik helemaal opnieuw met mijn leven kon beginnen en ik weer in de hut zat, die Daniël, jij en ik als kinderen hadden gebouwd. Toen wij, net als zij, wel van elkaar verschilden, maar nog geen eigen koninkrijk met vestingmuren hadden gebouwd. We waren…….

Hier hield het document plotseling op. Blijkbaar was degene die de flessenbrief had gevonden, vergeten de laatste pagina te fotograferen. Ik staarde naar het scherm alsof ik daar het raadsel kon oplossen waar Toon zich in ’s hemelsnaam bevond. ‘Hij wijdde ook geen woord aan Daniël, de man van Sylvia, noch aan zijn zoon Casper.’ Ik probeerde ze allebei telefonisch te bereiken, sprak hun voicemail in en stuurde Toons mail aan hen door.

De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

Categories

Pagina’s

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe berichten.

Voeg je bij 8 andere abonnees

Recente reacties

%d bloggers liken dit: