De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

4 GOUDZOEKER

4

Het verhaal

De Vloeibare Tijd is een feuilleton verhaal, dat gaat over het verglijden van de tijd van de jaren vijftig tot nu en wat drie boezemvrienden, met heel verschillende persoonlijkheden, in die periode overkomt. De afleveringen zullen uiteindelijk in boekvorm verschijnen. Dit is de vierde aflevering.

Wat vooraf ging

In het eerste Hoofdstuk ontvangt Mark een brief van zijn sinds 7 jaar vermiste boezemvriend Toon, die op geheimzinnige wijze is verdwenen met diens zus Sylvia, de vrouw van Marks andere boezemvriend Daniël. Toon ligt met malaria in een hutje in een oerwoud van Cambodja. Er is geen spoor van Sylvia.

In het tweede Hoofdstuk zien we dat Mark in het super geautomatiseerde Penthouse van Toon op de Wallen verblijft om te revalideren van een ongeluk. Het huis is hem door de zoon van Toon ter beschikking gesteld. In zijn antwoord op Toons brief maakt Mark  zijn kwaadheid kenbaar over het feit dat Toon er met Sylvia vandoor is gegaan en vraagt hij hem om in godsnaam te reageren en te laten weten of hij en Sylvia nog in leven zijn.

In het derde Hoofdstuk komt Casper (de zoon van Toon) bij Mark zijn dagelijkse lunch brengen. Hij opent voor Mark de kist, waarin het boek zit dat hij voor Sylvia had geschreven, met wie hij een heimelijk relatie had. Voordat Casper het schrift aan hem geeft moet hij met spoed weg voor een probleem op zijn werk. Hij sluit de kist weer zonder iets aan Mark te hebben overhandigd.

N.B. Beperkte wijzigingen in opzet en details zijn in de eerste drie Hoofdstukken aangebracht.

4  Goudzoeker

De medewerkster van de Thuiszorg, die in de ochtend komt, is een Italiaanse werkstudente. Zij voert haar taken bedachtzaam uit: er komen geen kreukels in haar kleding en haar make-up wordt niet verstoord. Het schoonmaken van de grote spiegel biedt haar de gelegenheid dit alles grondig te controleren. De omzichtigheid waarmee zij mij van het bed in de rolstoel helpt, leidt bijna steeds tot valpartijen zodat ik iedere keer blij ben als we beiden zonder kleerscheuren dit ritueel zijn doorgekomen. Het dagelijkse gehannes wordt echter goed gemaakt door de cappucino die zij hoogst persoonlijk met vaste hand zet, steevast begeleid door een groot stuk citroencake met mascarpone die haar vriend (hij is kok in een Italiaans restaurant) voor haar maakt.

Met enige regelmaat probeer ik haar te verleiden een dienst te ruilen met de Jordanese, zodat ze ’s avonds Vitello Tonnato  met Canolo en Limoncello als toetje zou kunnen meenemen. Haar vertrouwen om de tijd met mij in die donkere uren door te brengen is echter, ook al zit ik vastgeklonken aan mijn rolstoel, dermate laag dat zij iedere keer mijn verzoek met een nietszeggend knikje afdoet. Zij laat het langs haar koude kleren afglijden. De zorg voor de medemens lijkt niet van nature aan haar besteed.

Als ze weg is, rijd ik naar de computer. Ik heb niet alleen mijn eigen account, maar ook die van Toon, dag en nacht openstaan om te volgen of er een reactie van hem zichtbaar is. Nu tref ik in Toons mailbox opeens twee nieuwe berichten aan, een van Daniël  en een van Casper. Ik aarzel, maar uiteindelijk wint mijn nieuwgierigheid het van mijn privacy fatsoen. Als eerste lees ik de mail van Daniël:

Toon,

Als je nog in leven bent, laat dan in godsnaam iets over Sylvia horen. Want ik weet nu niet of mijn vrouw (we zijn immers nog steeds getrouwd) leeft, zeker omdat ze, net als jij, nooit op mijn mails heeft gereageerd. Je mag wel weten dat ook ik inmiddels een DNA test heb laten doen, dus beschikken we nu allebei over dezelfde informatie. Geloof maar niet dat je vlucht naar Cambodja betekent dat je van al je problemen af bent. De belastingdienst zit nog steeds achter je aan. Bovendien heb ik ze alle stukken overhandigd die ik tussen de papieren van Sylvia heb gevonden. Liever had ik je daarmee in Norderney om de oren geslagen. Maar ik had er geen rekening mee gehouden dat je zou vluchten als een dief in de nacht.

Met gemengde gevoelens

Daniël

En dan een heel kort briefje van Casper:

Papa,

Waarom heb je mij met al die rotzooi laten zitten? Als je nog leeft, laat dan in godsnaam nu iets van je horen!

Je zoon Casper

Casper had mij geappt, dat hij nog steeds met het datalek in de weer was en daarom in alle rust thuis ging werken om de bug te dichten. ‘Maar,’ voegde hij eraan toe, ‘ik stuur je een interessant artikel, waar we het vast nog wel eens over zullen hebben. En ja, natuurlijk heb ik ervoor gezorgd dat je lunch wordt gebracht. Ik las de kop van het artikel, die luidde: ‘Amsterdams Derde Gouden Eeuw.’

Ik brak me het hoofd over de codes voor het slot van de kist. De eerste twee, bedacht ik me, waren de eerste cijfers van mij maar al te bekende geboortedagen, zodat het een koud kunstje moest zijn het slot te openen. Ik rijd naar de kist en buig me voorover, voer de cijfers in, maar het slot reageert niet.

Het verleden en al het andere wat de kist bevat blijft voor me verborgen. Mijn gedachten keren naar binnen, naar al wat we samen hebben meegemaakt. Herinneringen tuimelen over elkaar heen, roeren in mijn onderbewuste als in een stil meer waaruit fantomen rijzen.

Ik heb twee zakjes uit een sieradenwinkel gestolen, nadat ik had gezien hoe de eigenaar deze zakjes uit de toonbank had gepakt en uit ieder een beetje poeder op een weegschaal strooide. Hij gooide er een vloeistof bij en kneedde het geheel tot een bal, maakte een gat in het midden, trok er nog wat aan en richtte zich toen tot de klant: ‘Het wonder is geschied!’  In zijn handen lag een gouden halsband te stralen.

Als de eigenaar even met de klant nar achteren gaat, gris ik de zakjes van de toonbank en hol naar buiten. Thuisgekomen stal ik alles op tafel uit. Op dat moment wordt er gebeld. Ik stop de twee zakjes in de grote kist die tegen de muur staat, trek er een deken over, gooi het kommetje leeg in de wc, zet het op de stortbak en loop de gang in. Door het glas van de voordeur kan ik zien dat er twee agenten staan. Ze kloppen en roepen mijn naam. Ik doe open, ga op de kist zitten en zij op de bank tegenover mij. Dan zegt een van hen: ‘Die kist, waarop u zit, mag ik daar even in kijken?’ Hij staat op, loopt naar de kist en klopt er hard op.’

Het kloppen houdt niet op. Ik hoor een stem, die roept. ‘Uw lunch, ik zet uw lunch voor de deur.’

Dat is het moment waarop ik wakker word. Allerlei vragen spoken door mijn hoofd: ‘Wat had ik moeten doen? Waar staan de drie elementen voor?’ Snel dringt het tot me door: ‘Het moet natuurlijk iets met de kist van Tanja te maken hebben.’

Add comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

Categories

Pagina’s

Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail

Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te ontvangen van nieuwe berichten.

Voeg je bij 8 andere abonnees

Recente reacties

%d bloggers liken dit: