De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

5 De ontdekking van het Niets

5

In de roman De Vloeibare Tijd bevinden we ons met dit hoofdstuk inmiddels halverwege. Alle informatie over de voorgaande hoofdstukken en een synopsis vind je hier: https://bit.ly/OVERDEROMAN

En een overzicht van al mijn gepubliceerde boeken is beschikbaar met deze link: https://bit.ly/MIJNBOEKEN

5. DE ONTDEKKING VAN HET NIETS

‘Hoor ik het goed?’ klinkt de stem van Daniël. ‘Heeft Jim Morrison nooit in het Concertgebouw opgetreden? En ben ik voor niksjaloers op je geweest?’ Hij staat daar met de handdoek de laatste krul op zijn kale hoofd te deppen. Zijn dikke buik steekt majestueus naar voren, terwijl zijn geslachtsdeel als een geknakte stengel er wat lullig bijhangt. Ik kan me niet voorstellen dat het, zelfs in opgewonden staat, een man-vrouw verbintenis zou kunnen aangaan. Zou dát soms Sylvia in mijn armen hebben gedreven?

‘Wat sta je daar nou te kijken?’ Daniël slaat de handdoek om zijn middel. ‘Nog nooit een man gezien?’

Sylvia opent haar mond om iets te zeggen, maar nog voor zij een woord heeft kunnen uitbrengen, roept hij: ‘Hou jij je nou maar koest en richt je op het onstoffelijke, als je tenminste je ziel hebt gevonden, daar bij die Goeroe!’

‘Heb je weer eens een kwade dronk?’ vraagt Sylvia wat timide.

‘Het is geen kwade dronk, ik ben gewoon kwaad, dat je mij van die flauwekul op de mouw spelt. Nog nooit heeft iemand de ziel gezien, er is geen enkel bewijs  dat die bestaat en wat niet bewezen kan worden, bestaat niet! Daar waren Casper en ik het volstrekt over eens.

Dat komt niet van ons hoor! Maar van de denkers om ons heen. Dáár – hij wijst schuin voor zich uit in de richting van de Kalverstraat – en dáár, waar vroeger de Houtgracht liep. Zijn standbeeld  staat er niet voor niets!’

‘Je bedoelt Spinoza?’

‘Ja, en weet je wat er op de sokkel staat?’ Hij is er zeker van dat wij het niet weten en laat daarom een lange stilte vallen, waarin hij ons nadrukkelijk vragend aankijkt. Als er geen antwoord komt zegt hij ten slotte spottend: ‘Het doel van de staat is vrijheid!’

Hij slaat hij zich op de knieën van plezier en herhaalt de  woorden keer op keer. ‘Vrijheid van ondernemen zullen ze bij de gemeente bedoeld hebben! En,’ wendt hij zich tot Sylvia, ‘die ziel van jou is niet meer dan, een bedenksel van je hersenen, een concept, een verhaal, want zo zijn wij mensen: wij fantaseren de waarheid er op los om te begrijpen wat we niet kunnen begrijpen en daar houden wij ons aan vast, geven er zelfs ons leven voor!

Weet je nog dat wij tijdens osn huwelijksreis verbleven in dat strandhuisje in Afrika?’

Verdomme, moet hij daar nu over beginnen, denk ik bij mezelf. Wat is het toch een klootzak!

Daniël vervolgt onverstoorbaar: ‘De hele dag kwamen er arme sloebers langs, die ons met de meest onwaarschijnlijke verhalen van alles wilden verkopen. Op een gegeven moment was er een man, die niets bij zich had … ‘Wat gaat hij ons nu verkopen?’ vroeg je mij … ‘Lucht!’ antwoordde ik … En verdomd als het niet waar was … Hij hief zijn handen ten hemel en zei in gebrekkig Engels: ‘Beautiful sky …’ Herinner je je nog dat ik toen tegen je zei: ‘Deze mensen hebben niets aan onze waarheid, voor hen is waar wat werkt …’

‘Is dat wat je met concept bedoelt?’ vraag ik. ‘Maar is jouw omvolkingstheorie dan geen concept?’

Terwijl hij mij nors aankijkt, moppert hij: ‘Ja, ja, ik heb nog eens over die kritiek van jou nagedacht … het is natuurlijk waar, dat iedereen bij omvolking aan moslims denkt … maar dat is gewoon achterhaald … sinds wij ons op High Tech en High Finance hebben gericht, hebben we die niet meer nodig …  maar wel goedopgeleide expats … we geven ze fikse belastingvoordelen … en als Big Spenders drijven zij de prijzen op en verdrijven arbeiders en middenklasse uit de stad … inmiddels zijn er nog maar 400.000 oorspronkelijke bewoners in Amsterdam tegenover  500.000 migranten van buiten Nederland … tel daar nog maar eens 55.000 toeristen per dag bij op … hoe kan je dan niet zien dat die omvolking in volle gang is?’ Hij kijkt mij aan met een blik die geen tegenspraak duldt en ik moet zeggen, dat ik van zijn cijfers onder de indruk ben.

Nu hij mij met zijn cijferfetisjisme heeft gefileerd, richt hij zijn pijlen op Sylvia: ‘Die Goeroe van jou is een charletan!’

Sylvia kreunt iets onverstaanbaars, terwijl hij vervolgt: ‘Weet je hoe Boeddha die geestestoestand  noemt die jij wil bereiken?’

Ze haalt haar schouders op, sluit haar ogen en doet of ze uit verveling in slaap valt. Maar als ze zijn antwoord hoort, kijkt ze hem met grote ogen aan.

 ‘Die noemde hij Anatma: Geen Ziel, wat later zelfloosheid, leegte, niets (Sunya) werd! Jouw leraar heeft er dus geen bal van begrepen met zijn christelijke praatjes over de ziel!’

Hij werpt een blik op mij: ‘Je vraagt je natuurlijk af  hoe ik op het pad van de Oosterse Filosofie terecht ben gekomen?’ zegt hij, terwijl hij gaat zitten en me met een zachtere blik aankijkt. ‘Herinner je je nog dat onze wiskundeleraar, als hij een formule op het bord schreef, aan de klas vroeg: ‘Wanneer werkt deze formule níét?’ En dat ik dan altijd antwoordde: ‘Als X 0 is!

‘Alleen, ik begreep er snars van. Totdat ik onlangs een boek vond dat volledig was gewijd aan het fenomeen Nul. En wat bleek?’

Zonder een antwoord af te wachten, ging hij verder: ‘Met het concept van Anatma hebben de Indiërs ook het cijfer Nul geïntroduceerd, waardoor het opeens mogelijk werd om complexe berekeningen te maken … en die Nul hebben ze geëxporteerd, waarna in 825 in Bagdad het boek van de wiskunde werd geschreven … en de wiskunde is de taal van het Heelal. Maar wat blijkt: voor sommige zaken werkt de Nul heel verstorend: je kunt bijvoorbeeld niet door Nul delen en om onbegrijpelijke reden is Nul tot de Nulde macht: Eén. We weten intussen dat er geen leegte in ons heelal is, ijlheid wel, maar leegte niet … het zou dan ook kunnen dat Nul  in feite een miniem ietsjepietje is … dan zou Nul wel degelijk door Nul gedeeld kunnen worden en zou het resultaat 1 zijn … zal ik jullie dat uitleggen?’

‘In Godsnaam niet,’ roept Sylvia, die er ploteling genoeg van heeft. ‘Weet jij misschien een hotel in de buurt? Ik ben kapot! En hier krijg ik echt hoofdpijn van!’

‘Om de hoek in de Barndesteeg is een Bed and Breakfast in het deel dat nog van het oude klooster over is,’ zeg ik, ‘Je kunt het aan de achterkant vanuit het raam zien. Ze hebben er met deze Lockdown vast wel plaats!’ Er klinkt spijt in mijn stem. Ze heeft besloten niet bij mij te blijven slapen.

Daniël knikt en gaat op zoek naar haar koffers en ik geef haar de krukken aan. Als ze weg zijn voelt het huis opeens heel leeg aan. Vanaf mijn rolstoel voor het raam kan ik Daniël en Sylvia in het halfduister over de gracht zien schuifelen, Sylvia steunend op haar krukken en Daniël achter haar, om haar zo nodig op te kunnen vangen. Het is doodstil op straat. Ik zie ze om de hoek verdwijnen.

Aan de overkant steken de donkere resten van het paleis scherp af tegen de door de maanverlichte hemel. Door het ingestorte dak kan ik het licht in het oude directiehuis aan de Voorburgwal zien branden, het huis waar ik het Jongeren Project was begonnen.

Ik pak het dagboek en begin te verder te lezen:

Lieve Sylvia,

Op een avond kwam je mij daar bezoeken, toen geen van de jongeren thuis was. Onder je arm geklemd houd je de bundel met gedichten, die ik voor je heb geschreven. Je staat zwijgend tegenover me en ziet er mooier uit dan ooit. De gespannen en enigszins opgejaagde uitdrukking is uit je gezicht verdwenen.

Maar het zijn niet mijn handen die dat hebben gedaan. Je kijkt me met grote ogen aan en ik heb het vreemde gevoel dat, als je eenmaal over de drempel stapt, je nooit meer weg zal gaan. Mijn blik is vol verwachting, maar in je ogen kan ik het antwoord lezen op die vraag die ik die avond niet durf te stellen.

‘Mag ik binnenkomen?’ vraag je bijna verlegen. Ik knik. Je gaat op de bank in de huiskamer zitten, slaat het drankje af dat ik je aanbied en geeft het stapeltje gedichten aan mij. ‘Hier zijn je gedichten terug. Het spijt me,’ zeg je. Ik kijk je verbijsterd aan.

‘Je moet weten,’ fluister je, ‘dat ik morgen met Daniël naar de opening van het Paleis ga. Hij zal er …’ Je slikt en zwijgt, herneem je, recht je rug, haalt diep adem en vervolgt bijna onhoorbaar: ‘ons huwelijk aankondigen!’

Ik laat het stapeltje gedichten bijna uit mijn handen vallen. Pas  later zal je me vertellen, dat Daniël al die tijd heeft gedaan of die gedichten van hem waren.

Ik wil proberen me uit deze onmogelijke situatie te redden door er een grapje van te maken en zeg dat ik nog wat verbeteringen zal aanbrengen, maar ik krijg geen woord uit mijn mond. ‘Hoe wist je dat ze van mij waren?’ breng ik er ten slotte met moeite uit.

Je wordt rood tot achter je oren en stottert:‘ Het handschrift …’ Je pakt mijn hand beet en het lijkt of er even een stroom door ons loopt, die je plotseling verbreekt door je hand terug te trekken en terwijl je stem een zakelijke toon krijgt, leg je uit dat het de manier is waarop Daniël richting geeft – op de dansvloer en in het echt – als een komeet die zich nergens door laat tegenhouden, met zijn radicale politieke ideeën, de indrukwekkende formules waarmee hij vat op de wereld probeert te krijgen: dat dát het is wat je voor hem doet vallen.

De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

Categories

Pagina’s

Recente reacties

%d bloggers liken dit: