De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

HOOFDSTUK 7 DE OPENING VAN HOONLAND

H

De synopsis van De Vloeibare Tijd kan je hier vinden: https://bit.ly/OVERDEROMAN en in de volgende alinea lees je de aansluiting met het voorafgaande.

Casper is naar Cambodja gegaan op zoek naar zijn vader, terwijl Sylvia uit het klooster terugkeert om Mark te bezoeken. Met hem gaat ze op een avond naar de restanten van Het Paleis der Zuchten. Daar scheurt zij een beenspier, als zij door de vloer zakt zodat zij, weliswaar tijdelijk, ook in een rolstoel terechtkomt. Daniël toont zich van een onaangename jaloerse kant, omdat Sylvia de eerste nacht na haar terugkeer bij Mark heeft doorgebracht. De eendracht wordt tenslotte enigszins hersteld als Liliane, de vriendin van Casper, komt vertellen in welke beroerde situatie Casper zich in Cambodja bevindt.

7 DE OPENING VAN HOONLAND

Wat voor bericht zou Liliane door de telefoon hebben gekregen dat ze zo over haar toeren is? Zijn er spullen van Casper gevonden … is hij dood aangetroffen … door een wild dier verscheurd … verdronken … is hij nog in leven en heeft hij achterhaald dat Toon is ontvoerd? In gedachten loop ik alle mogelijkheden af. De schier eindeloze reeks rampen die een mens zoal kunnen overkomen schieten door mijn hoofd, zonder dat ik ook maar een greintje houvast heb over wat er echt is gebeurd.

Om mijn gedachten af te leiden, pak ik het dagboek en ga voor het raam zitten. Ik open het schrift bij de passage die gaat over de opening van Hoonland en lees:

Lieve Sylvia,

Voor de galerie bevindt zich een grote groep mensen. Zij staan met hun rug naar het gebouw en rekken hun halzen naar voren om te kunnen zien wat er uit de verte onder de Stoofbrug aan komt varen. Ik sta aan de overkant en hoor de tonen van een hoempa orkest vanonder de brug door  galmen over de smalle gracht.

Niet veel later komt een lampion tevoorschijn. Het licht weerkaatst op het staal van wat een groot zwaard blijkt te zijn, dat wordt vastgehouden door een man in een lange zwarte cape met een Gaucho hoed. Hij ziet er uit als Zorro, die altijd heldhaftig ten strijde trekt tegen alle onrechtvaardigheid in de wereld.

Als hij onder luid gejuich op de kade springt, zie ik dat het Maurice is. Met een nonchalante beweging haalt hij de lampion van het zwaard en aan de punt bevestigt hij een schilderskwast.

Hij stormt naar binnen. De toeschouwers proberen hem zo snel mogelijk te volgen. Het is een gedrang van jewelste. Vanwaar ik sta kan ik door het grote raam van de galerie zien dat hij de kwast in verfbussen steekt, het zwaard omhoog heft en hier en daar op de doeken een laatste corrigerend verflikje aanbrengt om vervolgens met een groots gebaar rechts onderaan  een reusachtige Z te verven.

Toon staat van een afstand geamuseerd toe te kijken. Voor de gelegenheid  heeft hij zijn jasje uitgedaan en zijn stropdas losgemaakt. Door het krappe vestje wordt zijn omvang benadrukt, waardoor hij ouder lijkt dan de jonge blaaskaak die hij feitelijk is.

Ik loop over de brug naar het gebouw en als ik binnenkom, zie ik nog juist dat Toon met een lepeltje tegen een glas tikt. Hij spreekt de bezoekers toe in een speech, waarbij hij tot mijn verbazing het maatschappij-kritische karakter van galerie Hoonland benadrukt waardoor, naar zijn zeggen, een kunstenaar als Maurice hier voor het eerst zijn werk kan  tentoonstellen.

Het is niet te geloven! Toon speelt de idealistische galeriehouder en Maurice de charismatische kunstenaar, die pronkt met het werk dat voor een schijntje door de daklozen in de commune is gemaakt! Ik loop langs de werken, kinderlijke schilderingen, die iets hebben van een stripverhaal, wat nog wordt versterkt door de felle primaire kleuren en de strak uitgelijnde figuren. Ik sta me te verbijten. Opeens gaan de lichten uit, klinken er ijle orgeltonen en valt er een paarse gloed van blacklight door de ruimte.

Er komt een gestalte de zaal binnenschrijden, op het hoofd een tooi waarop twee lange stelen die als slangen heen en weer dansen, met  aan de uiteinden gifgroene ogen.

Pas nu zie ik dat jíj́ het bent, je blonde haar verborgen onder het hoofddeksel, je ogen die schuilgaan onder de schaduw van je lange opgeplakte wimpers, opgemaakt met grote zilveren strepen die doorlopen tot op je neus. Om je middel hangt een gordel met paarse pyramidevormige  constructies die, als je ze met je handen aanraakt, op en neer stuiteren en uitrollen als tentakels om dreigend hun gifgroene binnenkant te laten zien. Hoger en hoger, ijler en ijler klinken de tonen van de  muziek.

Al snel worden de bewegingen van de tentakels onbeheersbaar, alsof ze een eigen leven leiden. Terwijl de orgeltonen aanzwellen lijkt het of  ze zich tegen jou keren, de aanval op je inzetten, je klemzetten en naar de keel grijpen.

Met wilde bewegingen sla je de tentakels van je af  en probeert ze te verjagen. Langs je armen en benen springen ze naar voren, de zaal in. Je werpt je handen in de lucht en staat daar als een Koningin van de Nacht, een Medusa, vervagend in het dimmende licht van de lampen, ons als versteend achterlatend.

Ik kijk stomverbaasd toe. Waar staat dit allemaal voor? Waarom heb je mij hier nooit iets over verteld? Ben je in jezelf verstrikt geraakt? Heb je de aanval op de buitenwereld geopend?

Je loopt naar de achterkant van de zaal. Daar zie ik Daniël staan. Hij is in driedelig zwart pak gekleed en heeft een rood strikje om de boord van zijn witte overhemd. Zijn krullenbol heeft hij laten fatsoeneren. Ik kan me bijna niet voorstellen dat hij al zijn principes van sociale bewogenheid overboord heeft gegooid om jou in deze nep galerie van je broer te zien optreden. Hij omhelst je. Jullie lachen. Direct gaat hij vast jullie huwelijk aankondigen! Ik krijg er krampen van in mijn buik. Ik draai me om, wring me door het publiek heen naar de uitgang en loop naar de rand van de gracht. Daar blijf ik staan en staar naar de weerspiegeling van Hoonlands verlichte ramen in het water.

Ik kijk op uit het dagboek en zie aan de overkant van de gracht de plek waar ik meer dan 50 jaar geleden heb gestaan, in sombere gedachten verzonken.

Dan zie ik rechts een invalidenwagentje om de hoek van de Barndesteeg komen. Het is Sylvia. In haar lange witte gewaad ziet ze er nog steeds extravagant uit, verstild als een vleugellamme engel, voortgeduwd door Daniël. Met zijn hoofd naar voren gebogen, zijn ongepoetste schoenen, zijn slobberbroek die steeds van zijn dikke buik dreigt af te zakken, zijn vale jasje en zijn onafscheidelijke uilenbril, oogt hij als een zwerver. Sylvia kijkt omhoog naar mijn raam en  zwaait me toe, wijzend op een pakketje dat ze in haar handen houdt. Ik rijd naar de lift en druk op de knop om de voordeur beneden te openen.

Als de liftdeur boven opengaat, komt zij als eerste in haar invalidenwagentje het penthouse binnenrijden. Ze gooit het pakketje waarin gesmeerde boterhammen zitten in mijn schoot. Daar staan we dan tegenover elkaar, ieder in onze eigen rolstoel. Ze lacht me toe.

‘Waar heb je die rolstoel opeens vandaan?’ vraag ik.

Ze wijst naar Daniël. Hij zegt bijna verontschuldigend: ‘Oh, een van onze buren had nog een opvouwbare in het berghok staan. En die heb ik maar in de auto gezet. Veel handiger dan zo’n looprekje toch?’

Hij heeft er duidelijk de schurft in dat Sylvia zich zo bij mij op haar gemak lijkt te voelen en loopt naar het aanrecht om daar met zóveel lawaai koffie voor ons te gaan zetten, dat een normaal gesprek onmogelijk is.

‘Nou ik ben benieuwd wat Liliane zo direct te vertellen heeft!’ probeert Sylvia nog met luide stem.

Voor ik kan reageren, gaat de bel en niet veel later komt Liliane de kamer binnenstormen. Ze is gekleed in een strakke blauwe spijkerbroek, zwarte laarsjes met hoge hakken, een witte blouse en een  lang beige vest, het blonde haar in een eeuwig staartje. Ze heeft een betraand gezicht en lijkt zich wanhopig in de armen van de eerste de beste te willen storten. Omdat Sylvia en ik in onze rolstoelen daarvoor weinig gelegenheid bieden, stuift ze naar Daniël die haar enigszins onbeholpen begint te troosten, daarbij af en toe een wanhopige blik naar mij werpend.

Als Liliane zich uit de troostende omhelzing van Daniël losmaakt, haalt ze diep adem, wil wat zeggen, maar krijgt aanvankelijk geen woord uit haar mond. Dan kijkt ze Sylvia aan, trekt haar vest recht en begint zuchtend te vertellen: ‘Casper is ontvoerd door een drugsbende …  ze willen losgeld om de schulden van zijn vader te innen … 2 miljoen Dollar in crypto … als we niet binnen een dag wat laten horen, snijden ze om te beginnen zijn wijsvinger eraf.’ De tranen rollen over haar wangen. Als ze die afveegt veroorzaakt dat lange strepen mascara op haar gezicht.

‘De politie doet daar nooit iets, want ze worden door de drugsbazen omgekocht,’ zegt Sylvia. ‘We zullen het dus zelf moeten regelen en de panden moeten verkopen. Ik kan de monniken bellen en mijn leraar vragen of hij een bemiddelende rol wil spelen.’

‘Maar jij bent toch hier om in daar een Zen Centrum in op te richten?’ vraag ik.

Ze kijkt me verbaasd en enigszins geïrriteerd aan. ‘Hebben we dan een keuze?’ Om er na een korte stilte aan toe te voegen: ‘Ik denk trouwens dat het klooster die panden graag wil overnemen!’

‘En wat als Toon nog leeft?’ vraagt Daniël plotsklaps.

Het blijft doodstil. Niemand durft uit te spreken, dat hij denkt dat Toon niet meer in leven is.

Add comment

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

De Vloeibare Tijd Over zin en zinnen

Categories

Pagina’s

Recente reacties

%d bloggers liken dit: